2. Onderbouwing DAVAH project

Huidige werkwijze, screenen met een algemeen mengsel van voedsel allergenen (fx 5)

Regulier wordt gestart met screenend bloedonderzoek naar de aanwezigheid van IgE antistoffen tegen een mengsel (fx5) van de meest voorkomende voedselallergenen (koemelk, kippeneiwit, kabeljauw, tarwe, pinda en soja). Als deze fx 5 test negatief is word verder geen onderzoek ingezet.
Als deze test positief is wordt verder gekeken tegen welk allergeen uit het mengsel de specifieke antistof gericht is.
Zijn er één of meerdere positieve uitslagen van de specifieke antistoffen dan kan dit wijzen op een voedselallergie die de klachten van de patiënt kan verklaren. Dat hoeft echter niet. Een positieve uitslag is vaak terug te voeren naar IgE antistoffen die gericht zijn tegen andere (ongevaarlijke) soortgelijke voedingsmiddelen, die echter geen klachten veroorzaken. Deze zogenaamde kruisreactiviteit geeft dan een vals positieve uitslag. Deze aanmaak van de verschillende soorten IgE antistoffen tegen hetzelfde voedselallergeen, maakt de interpretatie van een positieve uitslag lastig.
Daarnaast komen antistoffen tegen andere voedingsmiddelen zoals hazelnoten, cashewnoten, kiwi en tomaat steeds vaker voor. Zij zijn echter niet aanwezig op het algemene voedselmengsel en de uitslag van de fx5 test is dan negatief.

Nieuwe werkwijze: combinatie anamnese en componenten analyse

Wetenschappelijk onderzoek heeft er toe geleid dat men nu onderscheid kan maken tussen de antistoffen die gericht zijn tegen verschillende allergenen, die wel (gevaarlijke) klachten veroorzaken en degenen die geen klachten veroorzaken en onschuldig zijn. Men heeft m.b.v. biotechnologisch / recombinant technieken deze gevaarlijke componenten uit allergenen / voedingsmiddelen gesynthetiseerd en vervolgens verwerkt in een zgn. componenten analyse test.
Er zijn ook testen ontwikkeld voor het aantonen van de ongevaarlijke kruis-reagerende componenten. Door deze gevarieerde componenten analyse wordt de uitslag veel specifieker.

Naast een specifieke test is het van belang dat de huisarts een goede anamnese afneemt. Alle richtlijnen rond de diagnostiek van voedselallergie bevelen dit aan. Het objectiveren van de klachten helpt om de diagnose helder te krijgen. Klachten afkomstig van een voedselallergie zijn namelijk specifiek en goed te benoemen. De klachten komen alleen voor bij inname van het specifieke voedsel. Navraag naar dat voedselproduct is essentieel. Karakteristiek is ook, dat de klachten altijd ontstaan korte tijd na inname van het voedsel en wel binnen één uur. Dit gebeurt bij herhaling met dezelfde klachten maar dan op een ander moment. Om deze klachten beter te objectiveren is het bijhouden van een dagboek door de patiënt zelf over zijn voedingsmiddelen tijdens de maaltijden en tussendoor handig. Hiervoor is een elektronisch handboek ontwikkeld, dat de patiënt gedurende 14 dagen bijhoud. Het dagboek wordt met de patiënt besproken en een vragenlijst wordt ingevuld. Deze vragenlijst is op basis van de richtlijnen opgesteld met eenduidige specifieke vragen naar de klachten en de omstandigheden.

Als de klachten in dat beeld passen, wordt gericht gezocht naar de antistoffen tegen het specifieke voedsel (allergeen), dat uit de anamnese naar voren komt. Indien positieve antistoffen worden aangetoond volgt componenten analyse met een uitslag die gericht is op verschillende klinische impact.

Door combinatie van een goede anamnese en de gerichte specifieke componentenanalyse leidt tot een verbetering van de diagnostiek voedselallergie in de huisartsenpraktijk. De huisarts / diëtiste kan betere voedingsadviezen geven.

Aanvraagformulier Diagnostiek Atopische Voedsel Allergie

Als bijlage treft u een specifiek aanvraagformulier met vragen die uw anamnese duidelijk en makkelijk maakt. Het betreft vragen die gedestilleerd zijn uit (inter)nationale richtlijnen rond de diagnostiek van atopische voedsel allergie.

De richtlijnen van de medische vakverenigingen wijzen erop, dat een goede anamnese essentieel is voor het stellen van de juiste diagnose. Een aantal onderwerpen binnen de anamnese die kenmerkend zijn voor voedsel allergie komen steeds terug in de richtlijnen. Bij aanwezigheid van deze verschijnselen neemt de kans van een atopische allergie toe:

  • Gezinsanamnese: vader, moeder of andere kinderen hebben een atopische allergie. De diagnose moet wel door een arts gesteld zijn. Bijvoorbeeld voedselallergie, constitutioneel eczeem, allergische rhinoconjunctivitis of allergische astma

  • Symptomen in 2 of meer systemen: Maagdarm, ogen, huid en/of mondkeel gebied

  • Objectiveerbare verschijnselen: Bijvoorbeeld braken, urticaria, dyspneu met piepen. Bij subjectieve klachten bv buikpijn, onrustig gedrag is de kans op allergie kleiner

  • Klachten direct na inname van hetzelfde voedsel

  • Duidelijke en herhaald verband in tijd tussen voedselinname en optreden van dezelfde symptomen

  • De klachten treden nooit op zonder blootstelling aan verdacht voedingsmiddel

  • Patiënt is gediagnosticeerd met inhalatieallergie voor boom of graspollen. Is relevant in verband met kruis-reagerende antistoffen tegen gras- of boompollen

Beantwoordt u de vragen overwegend negatief, dan is de kans klein dat er sprake is van een atopische voedselallergie.
Zijn de vragen overwegend positief beantwoord en / of is er een duidelijke aanwijzing voor een specifiek voedsel allergeen dan vraagt u dit aan op het Aanvraagformulier Diagnostiek Atopische Voedsel Allergie en geeft u het mee voor bloedonderzoek aan de patiënt. De klinisch chemicus begeleidt het onderzoek en de uitslagen met relevante informatie.

Voor meer achtergrond informatie kunt u terecht bij: Wat is een atopische voedsel allergie?
Betreft het buikklachten overweeg dan ook andere (immunologische) aandoeningen zoals coeliakie, ziekte van Crohn, Colitis Ulcerosa maar ook lactase deficiëntie.